De vier elementen van de Via Valais
Aarde
De vier elementen beginnen onderaan met Aarde. Dat zijn natuurlijk de trails, en die zijn heel divers. Ik loop over diep uitgesleten singletracks (oppassen dat je niet struikelt door tegen de rand aan te lopen), bredere grindpaden (niet het mooiste, maar soms wel heerlijk snelheid maken naar beneden), maar vooral veel over stenen. Die stenen zijn er in allerlei vormen. Van kleine kiezels op veel te steile hellingen (lekker glijden), via paden met stenen ter grootte van tennisballen (ik heb al een paar keer goed mijn best gedaan om een enkel te verzwikken, gelukkig niet geslaagd) tot puinvelden met rotsblokken van formaat schaap tot kleine olifant (leuk om vlot van steen naar steen te springen, en af en toe te schrikken als er eentje wiebelt). Op het grootste deel van de paden valt niet echt veel te hardlopen, maar ik ga (mede dankzij de lichte bepakking) wel een stuk vlotter dan de meeste wandelaars.
Water
Daarna komen we bij Water. Het is behoorlijk warm, ook op hoogte. Ik begin vaak nog met lange mouwen, en binnen een kilometer heb ik daar dan spijt van. Ik zweet dus ook aardig wat, en moet dan genoeg drinken. Tegelijkertijd wil ik niet te veel water meedragen, want 1 liter water is al 20% van het totale gewicht dat ik meedraag. Daarom heb ik een waterfilter mee. Er stroomt genoeg water vanaf de gletsjers naar beneden. De eerste dag was ik daar nog wat te voorzichtig mee. Toen ik dorst begon te krijgen was er wel een stroompje vanuit een gletsjer in de buurt, maar dat liep naar een meertje dat er zo grijs uitzag, dat me dat ondanks het filter geen prettig idee leek. Ondertussen kreeg ik meer en meer dorst, maar het stroompje water uit het grijze meer was voorlopig het enige in de buurt. Uiteindelijk vond ik dat het er al stromend best aardig uitzag, en ik moest toch écht wel eens drinken, dus mijn filter toch maar volgegooid met grijs water. Eén ding was ik nog vergeten: als het filter lang droog is, duurt het even voordat het een beetje doorstroomt. Daar zat ik dan met mijn dorst, druppel voor druppel naar binnen te zuigen. Maar het smaakte heerlijk, dat (niet meer) grijze water!
Dat zware water is ook een uitdaging voor de berghutten. De hoger gelegen hutten hebben geen (permanente) toevoer van drinkbaar water. Omdat er niets behalve een wandelpad naar de hut loopt, wordt het water ingevlogen per helikopter. Dat is te merken aan de prijs: in Cabane de Moiry betaalde ik maar liefst 12 Zwitserse franken voor een fles water!
Lucht
Dan Lucht. Ook lucht is door de zwaartekracht schaarser op hoogte. Toen ik op mijn acclimatiseerdag omhoog ging met de lift naar zo’n 2700 meter, merkte ik daar niet zoveel van. Maar toen ik aan de eerste etappe begon en wilde gaan rennen, schoot mijn hartslag al bij laag tempo flink omhoog. Niet gek misschien, want de luchtdruk is hier zo’n 25-30% lager. De eerste nacht klaagde mijn horloge ook over alles: te snelle ademhaling, te hoge hartslag, slecht herstel, lage zuurstofwaarde in het bloed. Gelukkig is dat na een paar dagen een stuk beter. Ik ben benieuwd of ik er in Nederland nog wat van merk. Maar ergens denk ik ook dat ik niet meteen behoefte heb aan hardlopen als ik terugkom.
Vuur
En tenslotte Vuur. Met een beetje dichterlijke vrijheid maak ik daar even Voer van. En eigenlijk, het is toch ook het voer dat het vuurtje doet branden waarop ik loop?
Mijn voer bestaat uit ontbijt, avondeten en vaak nog een picnic uit de hut. Daarnaast nog wat reepjes uit de supermarkt (daar kom ik langs op dag 3, 5 en 7), en ik heb voor iedere dag twee citrus fruit jelly’s van de Decathlon mee. Dat is mijn kleine extra krachtbron die ik over het algemeen aan het begin van iedere grotere klim van mezelf mag nemen.
Het avondeten in de hutten is erg goed. Geweldig om op bijna 3000 meter hoogte nog verse groenten te krijgen. Het is ook heel gevarieerd: ik at tot nu toe onder andere chili sin carne, een ovenschotel van polenta, groenten en kaas, bietensoep en gegrilde groenten. Ook gezellig om samen met andere berggekkies te eten.
Het ontbijt bestaat bijna overal uit behoorlijk droog brood, jam, heel soms een plak kaas, en melk met havermout. De picnic kent grote variaties. Vanuit Cabane d’Essertze kreeg ik een heerlijke wrap met verschillende soorten kaas en verse groente mee. Becs de Bosson was wat kariger en meer in de stijl van het ontbijt. Bij Moiry was het juist weer fantastisch: een vers afgebakken baguette met kaas, sla, augurken en mosterd, en daarnaast ook nog een mueslireep, een stuk chocola, een zakje pinda’s en een appel. Ik kreeg het niet eens op voor ik in Zinal was. Wel een beetje raar: iemand heeft dat speciaal met een helikopter naar boven gevlogen, en ik neem het doodleuk weer mee terug naar het dal. Oeps.