Etappe 9: Grünsee Mountain Lodge naar Zermatt (28 km, 1150 hoogtemeters)

Een slaapzaal voor mezelf. Een goed bed met uitzicht op de Matterhorn (ik zet de wekker een kwartiertje vroeger om de eerste zonnestralen op de berg te zien). Een raam bij mijn hoofdeinde en een raam naast me, dus ik kan de temperatuur regelen zoals ik wil. Alleen die tweede halve liter bier, gezellig gister met de vier andere, Duitse, gasten, die nekt me. Ik slaap beroerd. Eerst veel te warm. Dan naar de wc. Dan nog steeds te warm. Tweede raam open. Beter. En dan ineens veel te koud. En dan gaat de wekker al. Met geluid. Vergeten uit te zetten. Ik herinner me waarom de wekker zo vroeg staat en kijk naar buiten. Yes, de Matterhorn staat klaar om de eerste zon te ontvangen. En mijn horloge zegt dat ik goed geslapen heb en er klaar voor ben. Ik vind dat wel een mooi verhaal en besluit het maar te geloven.

Ik had gister mijn laatste zonnebrandcrème opgemaakt, maar de Nederlandse medewerker van de hut (nou ja, meer een hotel) heeft een tube waar ik wat van mag gebruiken. Fijn, want het gaat alwéér nodig zijn vandaag! Geen lunchpakket mee vandaag, maar hier rondom Zermatt is genoeg horeca te vinden op de route. Let’s go!

De route begint gemoedelijk; ik mag de eerste drie kilometer hardlopen noemen van mezelf, en de paden zijn erg verzorgd. Ik ben duidelijk in toeristischer gebied aangekomen. Het einddoel van de Via Valais is dichtbij. Als ik het eerste pad naar beneden zou nemen, zou ik in een uurtje bij de finish zijn. In plaats daarvan voert de route eerst een heel stuk westelijk boven Zermatt langs, om vlak onder de Matterhorn (het pronkstuk en de aandachttrekker van de omgeving) door te gaan, daarna omhoog te gaan en vervolgens diezelfde Matterhorn van de tegenovergelegen berg nog eens goed vanuit een ander perspectief te bekijken.

Onderweg kom ik nog een hangbrug tegen. Niets vergeleken met de gemiste hangbrug bij Randa, maar toch leuk. Ik kom ook aardig wat dieren tegen. Een eekhoorn die speelt met een zojuist gevallen dennenappel maar wegrent voor mij, dan toch terugkomt voor de dennenappel, weer wegrent, en zo lijkt het nog even door te zullen gaan. Ik besluit maar een kijkje te nemen bij de marmot die verderop op de weg zit. De meeste marmotten schieten snel weg in een hol in de grond; deze zoekt zijn toevlucht achter een ventilatierooster van de kapel naast de weg. Daarna volgt nog een berggeit; groter wordt het niet vandaag.

De route vandaag is passend als afsluiter. Niets moeilijks meer, regelmatig renbare stukken, één flinke klim maar die is mede door het uitzicht goed te doen, en tenslotte een lang, vrijwel vlak stuk op grote hoogte, om uiteindelijk bij het Trift Hotel aan te komen. Ik neem een late lunch van preisoep en een salade, die ondanks dat ook hier alles met de helikopter wordt ingevlogen, behoorlijk betaalbaar is.

Net voordat ik uitgegeten ben, verschijnt er een bekend gezicht: Dave uit Berkeley, waarmee ik in de Turtmannhütte een kamer deelde. Die had ik afgelopen nacht ook verwacht te zien in de hut, en ik vroeg me al af of er iets mis was. Hij bleek in een andere hut vlakbij te zitten. We kletsen even bij en lopen dan samen de laatste paar kilometer naar beneden naar Zermatt. Het is nog even heerlijk doorrennen, tot mijn horloge ineens zegt: “In forty meters: end.”

En daar staan we dan zomaar in de drukste winkelstraat van Zermatt. Geen lint, geen poortje, niemand met een stempel voor de stempelkaart die we niet hebben. Gewoon ineens afgelopen. Het is mooi, nee, fantastisch geweest, maar het is toch raar. We begonnen er net een beetje in te komen… We vieren onze prestaties nog even met een biertje (bij een wijnbar, maar ja, we waren al gaan zitten en hadden wel even genoeg beweging gehad), kletsen wat na over de route, onze families, en dat soort dingen, en dan is het echt echt voorbij. We nemen afscheid, en duiken de anonimiteit van Zermatt in. Als al die mensen toch eens wisten wat een gave dagen wij hebben gehad…

Etappe 8: Randa naar Grünsee Mountain Lodge (29 km, 2300 hoogtemeters)

Om 8 uur ontbijt ik in mijn eentje in een treurig klein zaaltje in het hotel. Het is een aparte boel hier. Alles ziet er oud (maar niet op een gezellige manier) uit. In de serre staat een grote audioset en een keyboard. Hier hebben ooit grote, foute feestjes plaatsgevonden. Maar of “ooit” afgelopen zomer, winter of 15 jaar geleden is, kan ik niet zeggen. In de serre hangt ook een stamgast die alleen iets onverstaanbaars bromt, totdat zijn tekkel hem met lang, maar verrassend afwisselend en creatief klaaglijk gezang overhaalt om te gaan wandelen. Op een tafel bij de ingang staat een computer en ligt ongeveer de helft van de boekhouding. De andere helft ligt in het even treurige café-gedeelte, gedomineerd door een driemiljoenmiljard inch televisie. De eigenaar pendelt regelmatig heen en weer tussen beide stapels papier. Het ontbijt is overigens prima.

Na het ontbijt ga ik op pad. Wegens de afsluiting van een deel van de Europaweg, die van Grächen naar Zermatt loopt, kan ik niet over de hangbrug boven Randa, en loop ik eerst wat lager richting Täsch, om daar een pad omhoog te nemen naar de Europaweg. Na een tijdje klimmen verschijnt de Matterhorn in beeld. Nog steeds een beetje verlegen, nu verstopt achter een andere berg, maar wel vrij van wolken. Als dat de hele dag zo blijft, heb ik straks bij Zermatt een prachtig uitzicht. Het weer is in ieder geval veelbelovend, en met iedere extra hoogtemeter wordt het uitzicht beter. Dan bereik ik de Europaweg, en vanaf daar slingert het pad met zeer vriendelijke hoogteverschillen richting Zermatt. Er valt regelmatig een stuk te rennen. Na korte tijd kom ik in Täschalp, waar ik even neerstrijk voor een cola en een abrikozengebak. Tja, als je niet uit een berghut komt met een lunchpakket mee, moet je toch wat.

Niet veel verder komen de echt mooie uitzichten op de Matterhorn, en veel meer van de hoge, besneeuwde bergen op de grens tussen Zwitserland en Italië. Ik word ingehaald door een gravelbiker (best knap op deze paadjes!), en we maken toeristische kiekjes van elkaar.

Dan zie ik een bordje “Oberrothorn”. Dat is de bonus peak van vandaag, en het is een flinke omweg, zowel in kilometers als in hoogtemeters. Ik had me thuis voorgenomen deze mee te pakken (net als de andere acht, daar ben ik ook deels op teruggekomen), maar gister na de pittige afdaling naar Herbriggen had ik dat plan toch maar laten varen. Bijna achthonderd extra hoogtemeters betekent dat ik vanaf de top nog 1100 meter moet afdalen naar mijn overnachtingsplek. Dat kunnen mijn knieën niet meer aan. Toch? Nu sta ik bij dat bordje. Na de makkelijke kilometers op de Europaweg voelt alles zo goed, dus ik pak de kaart er nog maar eens bij. Het pad naar boven voert over een (brede) graat, eerst naar de Unterrothorn (kunnen we daar altijd nog zien) en heet de avonturenweg. Ik ben verkocht.

Het pad over de graat blijkt inderdaad erg leuk (en niet spannend). Vanaf de Unterrothorn moet ik helaas eerst weer 100 hoogtemeters teruggeven voordat aan de laatste klim van 500 hoogtemeters naar de Oberrothorn kan beginnen. Het pad omhoog is makkelijk en redelijk vrij van losse stenen. Ik constateer dat de terugweg straks lekker vlot zal gaan. De weg omhoog gaat wel steeds langzamer. Is het de ijle lucht? Of de gebrek aan een lunchpakket? Het feit dat er geen waterbronnen op de route zijn? Of de 200 kilometer in de benen? Maakt allemaal niet uit, ik ben eraan begonnen en ik ga door.

Boven aangekomen wacht de beloning. Ik kan álle toppen in de wijde omgeving zien! Matterhorn, Dom, Weisshorn, Mont Blanc, Castor, Pollux, Dufourspitze, Zinalrothorn, en ga zo maar door. Het is zo overweldigend dat ik even mijn vader videobel om het moment te delen. Er komt een oudere man ook de top op. Hij legt zijn rugzak neer en haalt er zeker vijf verschillende flessen, thermosflessen en kleine flesjes drinken uit. Ik zeg dat ie wel een café kan beginnen. Hij vertelt dat ie de vorige keer hier te weinig water bij zich had. Dat snap ik wel: ik ben geen stroompje tegengekomen sinds het eerste bordje “Oberrothorn” en heb ook wel een beetje dorst. Bij gebrek aan drinken pak ik maar het zakje pinda’s dat ik eigenlijk voor de Barrhorn bedoeld had. Niet verstandig, want ik had dus al dorst, maar wel lekker!

Na drie kwartier besluit ik weer af te dalen. Ik heb zin in cola én een biertje (los van elkaar, mochten er Belgen of Duitsers meelezen). Net onder de top kijkt een hele familie steenbokken me aan. Ik zie één mannetje met enorme horens, en ook een jonge steenbok. Behoorlijk onder de indruk van die horens houd ik gepaste afstand, maak een paar foto’s en ren weer door. Het gaat inderdaad soepel, alleen het laatste stukje heeft nog een steile, met stenen bezaaide skihelling, maar die ben ik snel vergeten als ik bij de Grünsee Mountain Lodge aankom. Ik blijk de enige op een grote slaapzaal, mijn bed heeft uitzicht op de Matterhorn en er is een douche!

Morgen de laatste etappe. Nu echt zonder bonus peak, denk ik. Het is nog een behoorlijke tocht, en er moet toch een keer een eind aan komen. Als ik een beetje op tijd in Zermatt ben, kan ik nog even plannen maken voor donderdag.

Etappe 7: Turtmannhütte naar Herbriggen (21 km, 1150 hoogtemeters)

Wat een epische tocht was dit! Om 5:30 gaat de wekker, 6:00 ontbijt, 6:30 vertrek. Helaas in de lichte regen; dat is een beetje overbodig want ik had vrijdag al mijn regenjas niet voor niets meegesleept naar Zwitserland, dus dat vinkje had ik al. Maar goed, dat mocht de pret niet drukken, dus hup! Op weg naar de Barrhorn! Al vrij snel vanaf de hut kom ik op ruige paden van het type “er staat wit-rood-witte markering bij dus het zal wel een pad zijn”. Na een korte klim verdwijnt de hut uit het zicht en ben ik omgeven door stenen, gletsjers, stenen, ruige bergtoppen, en nog veel meer stenen. Op een enkele raaf na is het behoorlijk uitgestorven daarboven.

Het uiteindelijke doel vandaag is Randa, dat zo’n 2000 meter onder het Schöllijoch ligt, de pas die ik over moet. Maar voor het zover is, eerst nog even wat verder omhoog, naar de Barrhorn, het hoogste als normaal wandelpad geclassificeerde punt in Zwitserland met 3610 meter, en tevens de bestemming van vele bezoekers aan de Turtmannhütte. Van onderaf zie ik al dat de top vannacht een klein laagje verse sneeuw heeft gekregen. Eenmaal op de top krijg ik zelf ook een vers laagje sneeuw op me. Dat is nog een flinke klim, over eindeloze puin- en grindhellingen; eerst grijs, dan roodbruin en tenslotte zwart (met witte stipjes sneeuw). Boven is het uitzicht door de bewolking niet heel weids, maar wat er door de gaten in de bewolking wel zichtbaar is, is imposant, evenals de blik naar beneden op de lager gelegen gletsjer. Het is op de top zo koud dat mijn telefoon plotseling uitvalt, en ik besluit maar snel door te lopen, voordat mijn vingers te koud zijn om het Schöllijoch af te dalen.

Die vingers heb ik namelijk hard nodig daar. Het Schöllijoch is een vrijwel verticale wand van zo’n 80 meter hoog, die ik moet afdalen via verschillende constructies met in de wand geschroefde ijzeren ladders, touwen en beugels. Terwijl ik boven wat gekke dansjes sta te doen om mijn handen op te warmen (en stiekem misschien ook tegen de zenuwen, want een mede-Via-Valais-reiziger beschreef dit stuk gister als “literally THE SCARIEST thing I have ever done”), komt er net een man naar boven die even naar mijn uitrusting kijkt, en vervolgens waarschuwt dat het stuk direct onderaan de ladders nog even glad is, maar dat de gletsjer daarna goed begaanbaar is zonder spikes. Verder straalt ie op geen enkele manier uit dat ik de afdaling niet zou moeten doen, dus ik begin er maar snel aan. Het blijkt vooral leuk; er hangen genoeg touwen om me continu goed vast te kunnen houden, en de ladders voelen stevig. In een minuut of tien kom ik bij de onderste trap, en vanaf daar hangt er alleen nog een lang touw, terwijl de gletsjer (misschien anders dan vroeger) nog een behoorlijk stuk steil afloopt. Met wat gestuntel en wat vervreemde blikken van drie mensen die inmiddels staan te wachten om naar boven te gaan, overleef ik ook de laatste paar meter en hoef ik alleen nog maar de gletsjer over te glibberen. Die blijkt vrij ruw, dus dat is geen probleem. Schöllijoch: check!

Na de gletsjer kom ik weer in een eindeloze wereld van stenen terecht. Ik ben inmiddels al 400 meter afgedaald vanaf de Barrhorn, maar moet nog zo’n 2000 meter omlaag om in Herbriggen te eindigen. Na de stenenwereld verschijnt er langzaam steeds meer groen. Eerst mossen, dan grassen, dan struikjes, en tenslotte ook bomen. Ik ben al lang uit het hooggebergte als ik op 2100 meter, in een weitje tussen de bomen, ineens oog in oog sta met een heuse steenbok. We kijken elkaar een tijdje verbaasd aan, tot het dier besluit om maar ergens heen te gaan waar het rustiger is.

Daarna nog steeds 900 meter te dalen, en mijn knieën beginnen het wel zat te worden. Het pad blijft tot het einde toe vreselijk steil, bochtig en vaak glibberig. Alles gaat langzaam, maar uiteindelijk ben ik dan beneden in Herbriggen. Daar pak ik de trein naar Randa, waar ik voor mijn gevoel de enige gast ben in het enige hotel dat open is. Het lijkt erop dat er geen enkel restaurant in de buurt is, maar de hoteleigenaar biedt me voor een schappelijk bedrag een Salatteller aan, en zo is dat ook weer opgelost. Verder wil ie heel graag dat ik de Charles Kuonen hangbrug bezoek. Die zit normaalgesproken ook in de route van de Via Valais, maar het stuk Europaweg dat ik daarna kan volgen richting Zermatt, is dicht. Dat zou betekenen: 800 meter omhoog naar de brug, weer helemaal afdalen, naar het volgende dorp lopen, en dan weer 800 meter terug omhoog om de route op te pakken. Zonder dat ik erom vraag begint de hoteleigenaar al te bellen met iemand die misschien morgen met de auto omhoog rijdt, om mij op de route af te zetten. Dat lukt helaas niet, en ik ben er wel blij om, want ik wil liever alles lopen. Ik kom later nog wel eens terug voor die hangbrug.

Dat “alles lopen” is vandaag overigens dus niet helemaal gelukt. Mijn afdaling zou eigenlijk naar Randa voeren, maar die paden zijn momenteel dicht omdat de gletsjer die erboven hangt instabiel is. Vandaar de afdaling naar Herbriggen. Ik had het laatste stuk naar Randa misschien nog kunnen lopen, maar het wandelpad langs de rivier was ook afgesloten, en om de etappe nou af te sluiten met 4 kilometer langs de autoweg leek me niets. Dan toch maar de trein.

Etappe 6: Zinal naar Turtmannhütte (19 km, 1650 hoogtemeters)

Gister was rustdag, en tegen iedereens verwachting in (wie zich aangesproken voelt…) heb ik me er redelijk aan gehouden. Voor de afwisseling eens met de kabelbaan omhoog om het de dag daarvoor gemiste uitzicht bij Sorebois te bekijken. Daarna in een kabelbaan met glazen bodem (!) afgedaald naar Grimentz, mooi oud dorp is dat. Dan met de kabelbaan weer terug, een klein stukje mountainkart naar beneden, en tenslotte nog even naar het zwembad. In mijn hardloopshorts, want een zwembroek van 30 euro moeten kopen zou het effect van gratis naar het zwembad mogen weer teniet doen. O, en daarna moest ik nog uit eten, vervelend allemaal, zo’n rustig.

De route van vandaag was (alweer) mooi. Eerst een lange klim (3 kilometer van gemiddeld 20%, even vlak, en daarna nog zo’n stuk) omhoog naar de Col de la Forcletta. Vanaf daar gaat alles in het Duits verder. En blijkbaar zijn de Duitstalige stenen net anders dan de Franstalige stenen, want die probeerden me ineens pootje te haken. Nadat ze me al twee keer gewaarschuwd hadden, maar ik te koppig bleek om mijn voeten hoger op te tillen, was de derde keer raak. Bam, plat voorover tegen de grond. Gelukkig bleef de schade beperkt tot een kleine schaaf op mijn knie, en kon ik gewoon verder.

Na nog een klimmetje van 500 meter naar de hut, nam ik om 14.00 uur lekker plaats op het terras. Niet veel later schoof er een familie/vriendengroep uit Luzern aan, en uit licht schuldbesef van het verstoren van mijn rust, werd er al snel een glas wijn voor me neergezet. Dat hielp helaas niet volledig om het Zwitserduits te verstaan, maar het werd wel gezellig.

Zoals ik inmiddels gewend ben, volgde er weer een goede avondmaaltijd (soep, salade, spaghetti bolognese met linzen en chocoladecake toe) in het gezelschap van Zwitsers, Duitsers en een Amerikaan, die ook de Via Valais loopt.

Nu om 21.00 gaat het lichtje weer uit. Morgen om 6.00 uur ontbijt en daarna richting de Barrhorn op 3610 meter hoogte.

De vier elementen van de Via Valais

Aarde

De vier elementen beginnen onderaan met Aarde. Dat zijn natuurlijk de trails, en die zijn heel divers. Ik loop over diep uitgesleten singletracks (oppassen dat je niet struikelt door tegen de rand aan te lopen), bredere grindpaden (niet het mooiste, maar soms wel heerlijk snelheid maken naar beneden), maar vooral veel over stenen. Die stenen zijn er in allerlei vormen. Van kleine kiezels op veel te steile hellingen (lekker glijden), via paden met stenen ter grootte van tennisballen (ik heb al een paar keer goed mijn best gedaan om een enkel te verzwikken, gelukkig niet geslaagd) tot puinvelden met rotsblokken van formaat schaap tot kleine olifant (leuk om vlot van steen naar steen te springen, en af en toe te schrikken als er eentje wiebelt). Op het grootste deel van de paden valt niet echt veel te hardlopen, maar ik ga (mede dankzij de lichte bepakking) wel een stuk vlotter dan de meeste wandelaars.

Water

Daarna komen we bij Water. Het is behoorlijk warm, ook op hoogte. Ik begin vaak nog met lange mouwen, en binnen een kilometer heb ik daar dan spijt van. Ik zweet dus ook aardig wat, en moet dan genoeg drinken. Tegelijkertijd wil ik niet te veel water meedragen, want 1 liter water is al 20% van het totale gewicht dat ik meedraag. Daarom heb ik een waterfilter mee. Er stroomt genoeg water vanaf de gletsjers naar beneden. De eerste dag was ik daar nog wat te voorzichtig mee. Toen ik dorst begon te krijgen was er wel een stroompje vanuit een gletsjer in de buurt, maar dat liep naar een meertje dat er zo grijs uitzag, dat me dat ondanks het filter geen prettig idee leek. Ondertussen kreeg ik meer en meer dorst, maar het stroompje water uit het grijze meer was voorlopig het enige in de buurt. Uiteindelijk vond ik dat het er al stromend best aardig uitzag, en ik moest toch écht wel eens drinken, dus mijn filter toch maar volgegooid met grijs water. Eén ding was ik nog vergeten: als het filter lang droog is, duurt het even voordat het een beetje doorstroomt. Daar zat ik dan met mijn dorst, druppel voor druppel naar binnen te zuigen. Maar het smaakte heerlijk, dat (niet meer) grijze water!

Dat zware water is ook een uitdaging voor de berghutten. De hoger gelegen hutten hebben geen (permanente) toevoer van drinkbaar water. Omdat er niets behalve een wandelpad naar de hut loopt, wordt het water ingevlogen per helikopter. Dat is te merken aan de prijs: in Cabane de Moiry betaalde ik maar liefst 12 Zwitserse franken voor een fles water!

Lucht

Dan Lucht. Ook lucht is door de zwaartekracht schaarser op hoogte. Toen ik op mijn acclimatiseerdag omhoog ging met de lift naar zo’n 2700 meter, merkte ik daar niet zoveel van. Maar toen ik aan de eerste etappe begon en wilde gaan rennen, schoot mijn hartslag al bij laag tempo flink omhoog. Niet gek misschien, want de luchtdruk is hier zo’n 25-30% lager. De eerste nacht klaagde mijn horloge ook over alles: te snelle ademhaling, te hoge hartslag, slecht herstel, lage zuurstofwaarde in het bloed. Gelukkig is dat na een paar dagen een stuk beter. Ik ben benieuwd of ik er in Nederland nog wat van merk. Maar ergens denk ik ook dat ik niet meteen behoefte heb aan hardlopen als ik terugkom.

Vuur

En tenslotte Vuur. Met een beetje dichterlijke vrijheid maak ik daar even Voer van. En eigenlijk, het is toch ook het voer dat het vuurtje doet branden waarop ik loop?

Mijn voer bestaat uit ontbijt, avondeten en vaak nog een picnic uit de hut. Daarnaast nog wat reepjes uit de supermarkt (daar kom ik langs op dag 3, 5 en 7), en ik heb voor iedere dag twee citrus fruit jelly’s van de Decathlon mee. Dat is mijn kleine extra krachtbron die ik over het algemeen aan het begin van iedere grotere klim van mezelf mag nemen.

Het avondeten in de hutten is erg goed. Geweldig om op bijna 3000 meter hoogte nog verse groenten te krijgen. Het is ook heel gevarieerd: ik at tot nu toe onder andere chili sin carne, een ovenschotel van polenta, groenten en kaas, bietensoep en gegrilde groenten. Ook gezellig om samen met andere berggekkies te eten.

Het ontbijt bestaat bijna overal uit behoorlijk droog brood, jam, heel soms een plak kaas, en melk met havermout. De picnic kent grote variaties. Vanuit Cabane d’Essertze kreeg ik een heerlijke wrap met verschillende soorten kaas en verse groente mee. Becs de Bosson was wat kariger en meer in de stijl van het ontbijt. Bij Moiry was het juist weer fantastisch: een vers afgebakken baguette met kaas, sla, augurken en mosterd, en daarnaast ook nog een mueslireep, een stuk chocola, een zakje pinda’s en een appel. Ik kreeg het niet eens op voor ik in Zinal was. Wel een beetje raar: iemand heeft dat speciaal met een helikopter naar boven gevlogen, en ik neem het doodleuk weer mee terug naar het dal. Oeps.

Etappe 5: Cabane de Moiry naar Zinal (25 km, 900 hoogtemeters)

Er hangt bij vertrek een teleurgestelde sfeer in de hut; er is regen voorspeld, en windstoten tot wel 80 km/u. Eén van mijn kamergenoten had eigenlijk de wit-blauw-witte (alpine wandeling, net wat uitdagender dan de wit-rood-wit gemarkeerde paden) route naar Zinal willen nemen, maar besluit maar terug af te dalen vanaf de hut naar de parkeerplaats en naar huis te rijden.

Ik ben eigenlijk wel blij: ik sjouw mijn regenjas en handschoenen gelukkig niet voor niets mee. We hebben een geweldige picnic meegekregen van Cabane de Moiry: een baguette met kaas, augurk, sla en mosterd, een zakje pinda’s, een mueslireep, een stuk chocola, en een appel. Daar kom ik de dag wel mee door. De enige zorg die ik heb, is dat het pad omhoog naar de Corne de Sorebois ineens als “gesloten wegens onderhoud” staat aangegeven in de Swisstopo app. Nou ja, onderhoud, daar kan ik toch vast wel langs piepen? Ik ga maar gewoon op pad en zie het daar wel.

Onderaan het betreffende pad aangekomen blijkt hoe de vork in de steel zit: er is inderdaad weinig aan de hand met het pad, maar op het bovenste, steile stuk is men met een graafmachine het pad aan het verbeteren. Dat kan leiden tot omlaag vallende stenen, en dat kan dan weer leiden tot… Nou ja, gebruik je verbeelding. Na een tijdje intens omhoog gestaard te hebben, en de kaart nog eens goed te bekijken, besluit ik dat ik ook wel een paar honderd meter links van het pad, dwars door het weiland omhoog kan. Het is best steil, maar met stokken goed te doen, en zo ben ik veilig, hoef ik mijn plan nauwelijks aan te passen en ben ik de werklui niet tot last.

Eenmaal boven blaast de wind me bijna omver. Als ik mijn stokken niet had gehad, lag ik misschien wel op de grond. Ik wend me even af van de striemende regen, en wacht tot die weer klinkt als gemoedelijk gekletter op mijn capuchon voor ik verder ga.

Aan de andere kant van de berg loopt een lang wit-blauw-wit (er zit een klein stukje met een ketting langs de wand in, en een puinhelling) pad terug tot vlak onder de pas bij de hut waar ik vandaan kom, en vanwaar ik gister de Pigne de la Lé beklom. Vanaf onder gezien kan ik me haast niet voorstellen dat er vanaf de pas een pad naar beneden loopt, maar het Pools/Litouwse stel dat ik in de afgelopen twee hutten ontmoette, en dat ik in Zinal bij aankomst weer zie, vertelt dat zij die route hebben genomen en dat het de eerste 15 minuten afdalen inderdaad een beetje spannend was, maar daarna goed te doen. Ze waren gek genoeg wel de enigen daar. :-)

Nu zit ik lekker twee dagen in hotel La Pointe de Zinal, met een kamer voor mezelf, een heerlijke douche en een groot bed. Morgen rustdag!

Etappe 4: Becs de Bosson naar Cabane de Moiry (18 km, 800 hoogtemeters)

Vandaag was een makkelijke etappe. Slechts 17 kilometer, en de meeste hoogtemeters pas aan het eind. De eerste 13 kilometers gingen lekker vlot, en resterende 4 naar de hut waren steil, maar goed te doen.

Bij de hut een fantastisch uitzicht op de Moiry-gletsjer, die natuurlijk veel kleiner is dan op de foto uit 1940 die hier hangt, maar nog steeds zeer indrukwekkend.

Gister in de hut een paar Amerikanen ontmoet die ook (een aangepaste versie van) de Via Valais liepen. Grappig hoe een van hen aarzelde om te vertellen dat ze uit Amerika kwamen, omdat Amerika niet meer zo’n lichtend voorbeeld voor de wereld is.

Deze middag ga ik eens even lekker uitrusten. Heel misschien dat ik nog een klein paadje omhoog pak, maar misschien blijf ik verstandig…

Etappe 3: Aiguilles Rouges naar Becs de Bosson (33 km, 2300 hoogtemeters)

Veel trail, weinig running. :-) Vandaag was de langste etappe, en degene met de meeste hoogtemeters. En dat na al twee keer 30+ kilometer, dat voelde ik wel hoor. Er zat ook veel dalen in de route, en dan kon ik nog wel een beetje snelheid maken (sneller dan 10 minuten per kilometer noem ik hardlopen hier!), maar de meters omhoog bepaalden toch voornamelijk het tempo. Morgen staat er slechts 17km met minder dan 1000 hoogtemeters op de planning, dus dan ben ik hopelijk vroeg in de volgende hut en kan ik even bijkomen.

Toch ging vandaag goed. De omgeving was weer prachtig, omlaag door puinhellingen, daarna alpenweiden met veel koeien en marmotten, en tenslotte door het bos naar het dal. Dat nog steeds op 1400 meter ligt hier, overigens. Daar in Evolène heerlijk geluncht, snacks bijgevuld en twee jongens ontmoet die ik ook bij de Cabane d’Essertze was tegengekomen. Zij hadden een iets kortere route genomen (overnachting in het dal in Arolla, waar ik gister nog weer omhoog ging), maar liepen globaal dezelfde richting. Zij sloegen op een gegeven moment af omhoog, waar ik eerst nog wat verder richting Rhônedal liep alvorens omhoog te gaan. Na een lange klim van 1600 hoogtemeters, kwam ik ze vlak voordat ik bij de hut was weer tegen. Ze liepen nog wat door, want ze vonden de hut te duur, en ze mochten niet voor de deur kamperen. Zou ook wel erg koud geweest zijn, denk ik.

Nu voldaan nog even Strava vullen, en dan aanschuiven voor het avondeten. Ik denk dat er zo veertig mensen zijn hier, het lijkt wel een stadscafé zo druk en gezellig. Ik heb nog geen Nederlands gehoord trouwens. De Amerikanen zijn hier het luidst. ;-)

Etappe 2: Cabane d’Essertze naar Cabane des Aiguilles Rouges (33 km, 1700 hoogtemeters)

Gisteravond ging het licht om 21.00 uur uit, en na een wat onrustige nacht (20 mensen op een zaal, een deur die NIET zacht kon sluiten en flink veel regen en onweer) werd ik om 6.00 uur weer wakker. Het ontbijt was helaas pas om 8.00 uur, maar het regende nog, dus ik kon wel even wachten.

De dag begon met een mooi single-track pad richting de Grande Dixence dam, en was redelijk vlot te lopen. Bij de dam was een aardige klim, en daarna volgde 5 kilometer vrijwel horizontaal langs het stuwmeer. De eerste helft van de route van vandaag kon ik dus wat snelheid maken, en dat was nodig ook, want de tweede 15 kilometer hadden nog een heeeeleboel hoogtemeters in petto, met tussendoor een flinke afdaling.

De klim naar Col de Riedmatten was zwaar, maar schitterend, door grote puinvelden, achtergelaten door oude gletsjers. Het laatste stuk was steil en glibberig, maar gelukkig zaten er kettingen langs de wand. De afdaling daarna ging redelijk vlot. Tenslotte een klim van 5 kilometer naar de hut, en die was gelukkig niet zo steil.

De hut is heel anders dan gister. Cabane d’Essertze was heel gezellig, met bloemetjes, een kitten, een winkeltje met zelfgemaakte mutsen, tassen en jam, gerund door een energieke Zwitserse van achter in de twintig. Cabane des Aiguilles Rouges voelt veel traditioneler. Veel meer gericht op bergbeklimmers, een licht knorrige waard op leeftijd, en iedereen aan zijn eigen tafeltje bij het eten.

Het grote voordeel hier: het ontbijt is om 6.30 uur. Gelukkig maar, want morgen staan er nog een keer ruim dertig kilometers op het programma, met nog weer meer hoogtemeters. Ik heb er na vandaag wel wat meer vertrouwen in dat dag 3 ook gaat lukken; ik zag vanochtend wel even op tegen weer dertig kilometer. Het was ook pittig, maar zeker te doen.

O, en had ik al gezegd dat het hier echt enorm schitterend is?

Etappe 1: Verbier - Cabane d’Essertze (32 km, 1185 hoogtemeters)

Wat is het schitterend hier. En ruig. Voortbewegen door dit terrein gaat niet snel, maar toegegeven, dat komt ook omdat ik de hele tijd moet stoppen om foto’s te maken. Verder viel het niet tegen, na de iets uit de hand gelopen etappe 0. Ik vertrok wat later dan ik wilde, omdat ik moest wachten tot de kabelbaan openging. En waar het begin nog redelijk vlak was, met een pad langs een bisse, kwam al snel een lange klim naar 2900 meter. Eerst over steile paden, later steeds meer over rotsblokken. Daarna eenzelfde klautertocht naar beneden, en tegen de tijd dat het vlak genoeg werd om harder te lopen, had ik daar al iets minder energie voor. Toch hele stukken wat vlotter kunnen lopen en zelfs een (licht verdwaalde) mountainbiker ingehaald. De laatste klim (250 meter) naar Mont Rouge was pittig, maar hopelijk hebben de benen er wat van geleerd, want morgen moet er nog veel meer geklommen worden…

Bonus Peaks

Vandaag stond in het teken van wennen aan de hoogte. Met de kabelbaan omhoog naar 2100 meter, en dan een stukje doorlopen naar 2700 meter, om daar lekker een paar uur rond te hangen. Boek mee, solide plan. Tot ik stemmen van boven hoorde. Om precies te zijn van mensen die kwamen afdalen van een pad dat niet op mijn kaart stond, en waar ook geen typisch Zwitsers geel bordje bij stond, maar wel duidelijk op de rots geschilderd: Mont Gelé, hier naar boven!

Tja, dit was alleen maar het opwarmrondje, maar waarom zou ik er niet meteen een Bonus Peak in gooien? Alle etappes van de Via Valais hebben een Bonus Peak als optie: een (soms klein, soms iets groter) uitstapje naar een top vlak naast de route, voor wie 225 kilometer niet genoeg vindt, of een beter uitzicht wil, of gewoon, omdat het kan. Ik weet niet of ik ze vaak, of zelfs allemaal, wil meepakken, maar de belofte van een top trekt altijd. Op etappe 7 is de Bonus Peak de Üssers Barrhorn: het hoogste pad dat als normale wandelroute wordt aangemerkt, met maar liefst 3610 meter. Dat lijkt me wel erg gaaf. Hopelijk is het dan mooi weer.

Het gaat beginnen!

Gek hoor. De afgelopen drie weken stonden volledig in het teken van de vakantie, en was ik heel weinig bezig met mijn tocht. Nadat ik in de afgelopen zeven, acht maanden bij vrijwel ieder loopje en iedere sessie op de stair stepper met Zwitserland in mijn hoofd zat, was het doel nu even zo ver naar de achtergrond, dat ik zelfs twijfelde of ik er wel klaar voor was. En nu zit ik hier, in een B&B in Le Châble, klaar om morgen te gaan lopen. Ik heb een dag hier, omdat ik er rekening mee hield dat ik de reis niet in één dag zou kunnen halen, bij treinuitval. Maar dat ging behoorlijk soepel. Vanaf Keulen tot Bern zat ik naast een mede-trailrunner uit Wageningen, en al kletsend vloog de reis voorbij. En nu zit ik hier dus, klaar om te vertrekken, maar ik mag morgen pas. Vandaag pak ik de kabelbaan naar boven, om vast een beetje te wennen aan de hoogte. En morgenochtend loop ik hier dan voor het ontbijt de deur uit, en begint mijn avontuur écht!

Vreemdgaan in Rotterdam

Deze week was ik even uitgekeken op de Heuvel Zonder Naam. Ik had goede verhalen gehoord over de zogenaamde Rotterdamse Alp, een flinkel heuvel in Bergschenhoek, bestaande uit bouw- en sloopafval van een halve eeuw geleden, inmiddel flink begroeid. Dus afgelopen vrijdag weer vroeg op pad, nu eens niet naar het oosten, maar naar het westen. En raar maar waar, daar lag inderdaad een behoorlijke berg in het verder erg vlakke land. Ik had deze keer ook de stokken meegenomen, de armen moesten ook eens getraind. En die kwamen daar prima van pas. De heuvel kan van meerdere kanten beklommen worden, waarbij het pad van twee kanten flink steil is, zo’n 20%. Eén klim levert 35 hoogtemeters op, meer dan twee keer zoveel als de HZN. Dat tikt lekker aan. Qua hoogtemeters per turfstokje dan, qua tijd kosten die 1000 hoogtemeters nog steeds ruim twee uur. Het voelde erg nuttig om wat langere klimmen te doen. En het uitzicht op de top, over de skyline van zowel Rotterdam als Den Haag, was best indrukwekkend.

Tot zover het goede nieuws. Want man, wat stinkt het daar op die berg. Alsof door de wekenlange droogte de plasjes van alle trailgekkies die daar trainen niet meer wegspoelen. Nou ja, het was steeds weer een goede reden om snel weer naar boven te lopen.

En dan de mensen. Ik kwam behoorlijk wat lopers tegen, maar slechts eentje, die ook met stokken bezig was, wilde na een kwartiertje toch wel een praatje maken. Alle anderen keken stug voor zich uit, er kon nog geen goedemorgen af. Ze zeggen wel eens dat Utrecht ook bij de Randstad hoort, maar ik zie toch een duidelijk verschil. Volgende week maar weer naar Leersum…

Aftellen

Over precies een maand stap ik in de trein naar Zwitserland. En over tien dagen klap ik mijn werklaptop dicht, om die vervolgens bijna drie maanden dicht te laten. Eindelijk.

Ik ben wel een beetje klaar met aftellen. In januari zette ik een aftelwidget op mijn telefoon; toen duurde het nog meer dan 200 dagen voor ik zou gaan. Toen begon ook het (af)tellen. Zestig, zeventig, tachtig kilometer deze week. Drie weken tot de herstelweek. Duizend, tweeduizend of drieduizend hoogtemeters.

En de heuvels. Duizend hoogtemeters in Nederland is geen leuke route. Duizend hoogtemeters gaan op de stairstepper. Dat is minuten aftellen, een stuk of vijftig. En oke, dat is precies de tijd van een aflevering Breaking Bad (leuk om weer te zien; voor een volledig nieuwe serie heb ik net niet de aandacht terwijl ik aan het sporten ben), maar het is vooral aftellen.

Duizend hoogtemeters kunnen ook buiten, op mijn favoriete heuvel, de Heuvel Zonder Naam bij Leersum. Duizend hoogtemeters betekenen zestig keer de HZN bedwingen. Dat is pas aftellen. Of optellen, whatever. Het geeft een beetje een gevangenisgevoel, eindeloos turven tot het voorbij is. Maar binnenkort breek ik uit, en dan hoef ik iedere klim die ik tegenkom maar één keer te doen. Ik kan niet wachten!

Waar komt de tijd vandaan?

Niets filosofisch hoor, dit gaat juist over hele praktische zaken. Dat trainen voor een ultrarun kost namelijk ontzettend veel tijd. Veel kilometers (50 tot 80, soms 100 in een week), op lage snelheid (werken aan aerobe capaciteit), en inmiddels ook nog eens met veel hoogtemeters, waardoor de snelheid nog verder omlaag gaat. Ik zit nu op gemiddeld ruim 6 uur per week sinds het begin van het jaar, en daar komen de uurtjes op de stair stepper nog bij, de reistijd naar de heuvelrug, omkleden/douchen, etc. Best een uitdaging naast een gezin, een baan en hobbies. Hoe dat dan lukt?

Maar hoe je het ook wendt of keert, ondanks al deze trucs ben ik gewoon veel van huis. Ik ben heel blij dat ik die ruimte krijg. Mensen vragen wel eens: “Wat vindt Paula er nou van dat je straks twee weken van huis bent?” Maar die twee weken zijn maar het topje van de ijsberg. Paula (en Otto & Steffi): enorm bedankt voor je steun in al deze maanden! ❤️

(Soundtrack: RAYE - Where is my husband!)

Zo toevallig!

Bijna niemand die ik tegenkom kent de Via Valais. Logisch, want het is geen evenement, en hoeveel mensen gaan er nou 9 dagen door de Alpen rennen? Dus toen ik vorige week weer braaf mijn hoogtemeters aan het maken was (60x de “Heuvel Zonder Naam” bij Leersum), en er na een uurtje een andere trailrunner verscheen die me vroeg waar ik voor trainde, bereidde ik me alweer voor op mijn uitleg-riedeltje: “Nee, het is geen race, alleen een route, het is een soort huttentocht maar dan voor hardlopers”, etc. Maar wat bleek: deze Bauke was gewoon óók aan het trainen voor de Via Valais deze zomer! Daar moest even over gekletst worden, en voor ik het wist had ik die HZN 67 keer bedwongen. Fijne training weer zo!

Bonusloopjes

Met de geslaagde test op de Dutch Mountain Trail en het feit dat Zwitserland pas over 2,5 maand op het programma staat, heb ik momenteel geen hele duidelijke focus voor mijn trainingen. Ik moet veel kilometers en hoogtemeters maken, maar het is vooral de vorm vasthouden. Dat kan een beetje saai worden, dus ik had even wat andere doelen nodig. Nou stond toevallig deze week de halve marathon van Groenekan op het programma. En met de Via Valais nog zo ver weg, kon ik daar best veilig even flink gas geven. Verder wilde ik graag eens een 50k lopen, en hoewel zo’n afstand niet echt nodig is voor straks, is de conditie er nu wel naar. En zo heb ik ineens m’n PR op de halve marathon met 9 minuten verbeterd (1:34:31!) én mag ik mezelf eindelijk (dat stond eigenlijk twee jaar geleden in Oostenrijk op de planning) ultraloper noemen. Blij!

Ik heb een klein stukje geschreven op de website van de TRCU over mijn beleving van het Dutch Mountain Trail weekend, en welke rol de TRCU speelt in mijn voorbereiding op de Via Valais.

Een kleine tegenslag en nieuwe uitrusting

Vorige week een kleine tegenslag. Het leek ook haast te goed om waar te zijn: ik kon na de Dutch Mountain Trail zonder klachten door met trainen. Maar net nadat ik ja had gezegd op een uitnodiging van wat mede-loopgekkies van de TRCU om flinke kilometers en hoogtemeters te gaan maken in Tecklenburg op Tweede Pinksterdag, begonnen mijn knieën pijn te doen. Waarschijnlijk gewoon vermoeidheid, maar ik maakte me toch een beetje zorgen. En ik had veel zin in die lange loop. Dus toch de hardloopschoenen maar even in de kast gelaten.

Gelukkig voelden de knieën met de dag beter. Ik sprak met mezelf af dat als de pijn op zaterdag weg was, en alles op zondag weer als vanouds zou voelen bij het traplopen, dat ik dan op maandag gewoon mee zou gaan.

Het pakte precies zo uit, en ik kon meteen een stukje nieuwe uitrusting testen: het fiets-ondershirt dat me aangeraden was tegen schuurplekken van de rugzak. Na 8,5 uur, 42 km en 1500 hoogtemeters kan ik concluderen: het werkt!

Het is een ondershirt, dus meestal verborgen, maar tijdens een dip in het water verscheen het toch op een foto. 😉 Dus voor wie zich afvraagt waar ik het nou over heb, hierzo:

Test geslaagd ✅

Afgelopen weekend was de grote test: honderd kilometer en tweeduizend hoogtemeters in drie dagen, met volledige bepakking. En om maar met de deur in huis te vallen (want dat deed ik toch in de titel van dit stukje): die test was zeer geslaagd. Ik kon lekker meekomen met de snellere groep, kon het gewicht prima aan, miste geen cruciale spullen en als bonus: ik had vandaag, op dag vier dus, gewoon weer puf voor een loopje.

Natuurlijk zijn er wel een paar verbeterpuntjes:

  1. Ik had last van schuurplekken op mijn onderrug. Dat heb ik op kunnen lossen met tape op dag drie, maar liever voorkom ik het. Ik ga eens een ondershirt proberen.
  2. Een lichtgewicht handdoekje van 80 bij 40 centimeter is echt te klein. Die mag een maatje groter.
  3. Een klein beetje zeep mag ook wel in de tas.
  4. Op pizza met veel kaas loop ik niet lekker. Gelukkig stonden de rennies wel op de paklijst, maar ook hier: liever voorkomen dan genezen. Dus: niet te veel vette troep eten als je van plan bent om een hele dag te rennen met een tas die je maag toch al samenperst.

Al deze verbeterpuntjes zijn puur om het comfort te verhogen; niets ervan heeft me tegengehouden om door te lopen en te genieten. Dus ik zeg: kom maar op met die Via Valais!

Het duurt helaas nog ruim 100 dagen voor het zover is…